Dampdiffusie

Het ontstaan van condens
Constructies worden, naast de mechanische krachten, ook belast als gevolg van bouwfysische invloeden. Deze treden op door de wisselende temperaturen die zich tussen -20 °C en + 80 °C bewegen. Ook de verschillen in luchtvochtigheid tussen binnen en buiten hebben invloed op de constructie.

In het meest voorkomende geval, namelijk bij een hogere binnentemperatuur (Ti) en een lagere buitentemperatuur (Te), is veelal ook de luchtvochtigheid binnen hoger in vergelijking met buiten.

Het verschil in waterdampspanning (Pi-Pe) maakt dat er waterdamptransport plaatsvindt door de dakconstructie van binnen naar buiten. Bij een bouwfysisch onjuist geconstrueerd dak leidt dit tot condensvorming of rijpvorming tegen de binnenzijde van het relatief koude titaanzink.

Overmatige condens kan diverse vormen van schade veroorzaken, zoals aantasting door corrosie van het titaanzink van binnenuit en vochtschade aan onderdelen van de dragende constructie (corrosie, houtrot, schimmel). Het volledig waterdampdicht afsluiten van de dakconstructie aan de binnenzijde is geen oplossing, omdat dit in de praktijk niet te verwezenlijken is én dit voor de regulering van de vochthuishouding in een gebouw meestal niet wenselijk is. Om zowel het gewenste waterdamptransport te handhaven als de kans op schade te voorkomen, zijn in principe twee regulerende maatregelen mogelijk:

A. Aanbrengen van een dampremmende laag aan de binnenzijde van de isolatie.
B. Opnemen van een met buitenlucht geventileerde spouw aan de buitenzijde van de isolatie.

A. Dampremmende laag
Deze laag is noodzakelijk om:
1. Voldoende maar ook niet teveel damp door te laten voor de afvoer van waterdamp uit het gebouw (bijv. ’woonvocht’). Ons advies is om een dampremmend materiaal te kiezen met een minimum diffusieweerstand van Sd-waarde = 10.
2. De constructie tochtvrij te maken en om te voorkomen dat binnenlucht direct in de spouw stroomt. De luchtspouw staat namelijk in open verbinding met de buitenlucht waardoor een hinderlijke luchtstroom via kieren in de constructie naar binnen zou kunnen komen en omgekeerd.

De dampremmende laag kan in sommige gevallen achterwege blijven, bijvoorbeeld als de materiaalopbouw aan de binnenzijde van de geventileerde luchtspouw een dampdiffusieweerstand heeft die groter is dan 10 (diffusieweerstandgetal x dikte in mm). Voorwaarde hiervoor is echter wel, dat de geventileerde spouw en de beluchtingsopeningen voldoen aan de waarden in de tabel en dat er maatregelen worden getroffen om kieren tussen spouw en binnenruimte te dichten.

B. Luchtspouw
De luchtspouw moet via beluchtingsopeningen, zowel op het laagste punt als op het hoogste punt van gevel of dak, in open verbinding staan met de buitenlucht. Tussen de beluchtingsopeningen moet de lucht zonder remmende obstakels vrije doorstroming door de spouw hebben. Voor de afmetingen van spouw en beluchtingsopeningen zie volgende tabel.

DakhellingMinimum dikte van de spouwMinimum doorsnede van beluchtingsopeningen boven en onder per m2 dakvlak
3° tot 20° *80 mm80 cm2
> 20°50 mm30 cm2
90°20 mm10 cm2

* De exacte hoogte van de ventilerende spouw wordt per situatie bekeken.
Tabel 4.1